Het Meisje met de oorbelletjes

Héél verdrietig stapt kabouter Cricri naar huis. Vandaag wordt hij wel achttien jaar, maar hij heeft nog nooit het grote water aan de andere kant van het Kwarekken bos gezien. Met zijn korte beentjes kan hij zo ver niet stappen. En nu meneer de uil hem te klein vindt voor de ganzenrijschool, zal hij nooit kunnen gansrijden.

In de verte ziet Cricri zijn huis, een grote, rode paddenstoel met witte stippen. De familie Kabouter zit samen met alle dieren van het bos aan tafel. In het midden staat een héérlijke taart met kaarsjes. Héél véél kaarsjes. Voor elk jaartje één. Vanuit de hoge bomen kwetteren de vogels ‘Hierperdepiep, Hoera’. Maar Cricri wordt er niet vrolijk van, hij heeft helemaal geen zin in feesten.

Plots verschijnt er achter de grote oude eik, een klein roodharig hondje. Met zijn korte pootjes loopt hij recht naar Cricri. Het hondje springt op Cricri’s buik. Al kwispelend likt hij aan Cricri zijn bolle wangen. Op de rug van het hondje ligt een zadel, perfect voor de kabouter. Hij glimt nu van blijdschap want nu kan hij zonder ganzenrijbewijs naar het grote Kwarekkenwater.

Vanaf dag één zijn Cricri en zijn hondje onafscheidelijk. Hij noemt de teckel Takkie Wakkie. Takkie omdat hij het Hoge Takken Springen kampioenschap wint en Wakkie omdat die kleine roodharige viervoeter gek rollebolt in de bladeren.

Cricri is blij met Takkie Wakkie. Zo blij, dat zijn pinnenmuts altijd rechtop staat. Hij wil dat iedereen zo gelukkig is als hij. Daarom knutselt hij ’s avonds, na zijn avonturen met Takkie Wakkie. Oorbelletjes bijvoorbeeld, Takkie Wakkie-oorbelletjes. En ’s nachts, wanneer iedereen in het kabouterdorp slaapt, brengen Cricri en Takkie Wakkie de oorbelletjes naar de stenen huizen in de straat. Cricri springt dan op de rug van Takkie Wakkie en laat de kleine cadeautjes in de speciale bussen van de stenen huizen glijden.

Op een zekere dag, als Cricri en Takkie Wakkie onderweg zijn naar één van hun grote avonturen, horen ze een meisje héél hard snikken. Door een kijkgat in de hoge haag zien ze haar zitten op de trappen. Ze heeft in haar ene hand, het kleine, blinkende, zilveren, cadeautje en in de andere een zakdoek om haar tranen te drogen. ‘O’, snikt het meisje, ‘nu heb ik een prachtig cadeautje gekregen, maar ik kan het niet dragen, want ik heb geen gaatjes in mijn oren’.

Gaatjes?! Daar had Cricri helemaal niet aan gedacht. Die avond maakt Cricri geen nieuwe cadeautjes en ook ’s nachts gaan hij en Takkie Wakkie niet naar de stenen huizen met glijdende bussen. Het enige waar ze aan kunnen denken is dat kleine meisje, zonder oorgaatjes, snikkend op de trappen.

De volgende dag gaan ze niet oefenen voor het Hoge Takken Kampioenschap en ook met het Rollen Bollen spel spelen ze niet mee. De dieren van het bos zijn ongerust en gaan naar de beste vrienden op zoek. Ze vinden Cricri en Takkie Wakkie aan een hoge haag. Cricri met zijn pinnenmuts helemaal plat en Takkie Wakkie jankend aan zijn voeten.

De dieren kijken Cricri vragend aan. Met tranen in zijn ogen vertelt de kabouter zijn grote geheim. Hij vertelt over de cadeautjes, de nachtelijke uitstapjes en het meisje zonder oorgaatjes. Het meisje dat nu achter de haag zit te wenen. De dieren luisteren vol verbazing. Eén voor één kijken ze door het kijkgat naar het wenende meisje. Hun dierenharten breken. Ze willen Cricri en het meisje helpen, maar hoe?

De dieren denken zo diep na dat je de takken in het bos hoort kraken.
Plots zegt Piet Konijn: ‘We kunnen gaatjes in haar oren maken?’
‘Hoe dan’, vraagt Cricri?
‘We kunnen vanuit de lucht eikels op haar oren laten vallen,’ oppert Erik de eekhoorn.
‘Maar die gaten zijn veel te groot!’ zegt Takkie Wakkie.
‘Wat als we een kastanjebolster nemen?’ tsjilpt de mus.
‘Dan zijn haar oortjes helemaal doorzeefd’, moppert de gans.
‘Ik heb een plan’, mompelt Gerard, de gepensioneerde egel.
De dierenvrienden spitsen de oren en luisteren vol aandacht naar het geniale plan van Gerard de egel.

De volgende ochtend is het nog donker wanneer de dieren samen komen onder de grote oude eik. Héél voorzichtig pikt mus een stekel bij Gerard de egel weg. Het doet een beetje pijn, maar deze verbijt Gerard op een veer van moeder de gans. Samen met de stekel gaan de dieren vrienden naar de rand van het bos.

Het meisje zit weer snikkend achter de grote haag op de trap. Merel vliegt naar haar toe en vraagt haar naam. ‘Liene’, zegt het meisje snikkend, ‘mijn naam is Liene’. ‘Stttt’, sust de mus. ‘Stop maar met wenen’, wij gaan je helpen. ‘Helpen?’ vraagt Liene, ‘maar hoe dan?’ Merel zwaait met haar vleugel en door het kijkgat in de haag komen de vrienden uit het bos aangelopen.

Cricri gaat nu voor Liene staan. Hij springt vanop de rug van Takkie Wakkie op Liene haar been en klimt op haar schouder. Liene pakt Takkie Wakkie op en legt hem in haar schoot. Voorzichtig legt mus de stekel in Cricri zijn hand. Ondertussen staat Piet Konijn op de bovenste trap met zijn wortel aan de achterkant van Liene haar oor. ‘Ik ga je een klein beetje pijn doen’, fluistert Cricri. Zachtjes duwt Cricri de stekel in haar oor, dwars door haar oor,… tot in de wortel. Eerst het linkeroor en daarna het andere. Liene bijt zachtjes op haar lip, het doet een ietsie pietsie beetje pijn. Maar Takkie Wakkie knuffelt die helemaal weg.

Onder luid dieren applaus steekt Liene het Takkie Wakkie oorbelletje in het linker gaatje en het botje in het rechter. De juweeltjes schitteren in de zon en Liene schittert mee. ‘Fiet Fieuw!, wat ben je mooi’ fluiten de dieren. Samen met Liene doen ze een vreugdedansje.

Wanneer het donker wordt rennen de dieren huppelend naar Gerard de egel en Moeder de gans. Opgewekt vertellen ze over: het meisje Liene, Cricri zijn klim, de prik en hoe mooi en gelukkig Liene was met de prachtige Takkie Wakkies.

De pinnenmuts van Kabouter Cricri vliegt rechtop! Hij is zo gelukkig en blij. Want ergens, achter een hoge haag, in een stenen huis, woont een meisje dat even blij is met Takkie Wakkie, net als hij.